Wij stonden uit bij dageraad,
toen wind en zee nog sliepen,
de kim nog grijs, het water glad,
geen meeuw die luid kon krijsen.
De motor bromde diep en zwaar,
het schip begon te trillen,
en langzaam, tegen ‘t duister aan,
zagen wij Vlieland verdwijnen.
Het leven aan boord is hard en strak,
met handen ruw van netten,
het zout dat in de wonden draagt,
de nachten vol verwachting.
Maar soms, als over ‘t water ligt
een streep van purperlichting,
dan denk ik aan een havenlicht
en aan jouw stil gezicht nog.
Het vistuig glijdt in zee weerom,
de maasjes vol van dauwdrup,
de bemanning zwijgt, de horizon
verdwijnt in mist en grauwheid.
Tot plots de schreeuw: “Vol tuig aan dek!”
en ‘t zwoegen aan de lieren,
de buit die in het ruim verdwijnt —
dat is ons logger-vieren.
En als de avond valt, wij zwaar
en moe maar vol verhalen,
de koers naar huis, de sterren maar
als kompas in de dalen.
Dit gedicht zou volgens a.i. kunnen aansluiten bij de traditie van werk van dichters als J.C. Bloem of Jan Prins, maar ook bij anonieme volkse verzen over het vissersleven.
met dank aan Tine Nieuwland Mullder


Geen opmerkingen:
Een reactie posten
uw reactie wordt buitengewoon op prijs gesteld. Blijf boven de gordel ;-)
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.