donderdag 13 november 2014

Johnny van Doorn Selfkickt in Sneek

Meerpaal
Johnny the Selfkicker, fenomeen komt als Anti-klaas aan in Sneek. De dichter komt per roeiboot aan bij jongerencentrum De Meerpaal en wordt op een ezel gezet. Deze aankondiging die mij en een aantal vrienden ter ore was gekomen deed mij besluiten om zaterdagmiddag  29 november 1969 van Hindeloopen per trein af te reizen naar Sneek. Ik rekende op een buitengewoon ludieke of provocerende Sinterklaze-aktie van Johnny van Doorn, woordacrobaat, voordrachtskunstenaar en levensgenieter. Het tegenovergestelde bleek waar: "Ik was er  trots op dat ik voor goedheiligman mocht spelen", aldus Johnny. Ik maakte enigszins opgewonden - in afwachting welk een spannend spektakel mij, op mijn vrije zaterdagmiddag te wachten stond - zijn aankomst, de bestijging van het paard (een peper-en-zout kleurige schimmel) en start van de optocht bij de Meerpaal mee. Ik meen me te herinneren dat er toen achter de jonge semibisschop Johnny geen soepele ruiter schuil ging, dit in schrille tegenstelling tot zijn unieke en virtuoze performance. Het chaotische begin van de optocht die, zich groepeerde op de brede straat op de Kleine Palen, zette zich wel gestructureerder voort via de Singel, naar de binnenstad. De muziek voorop, gevolgd door het gezelschap van Sint Nicolaas, met alias ruiter Johnny te paard....

Een vrolijk verhaal over deze historische gebeurtenis in Sneek staat in Johnny's bundel Hou contact (De Bezige Bij). Ik ben zo vrij geweest dit verhaal over te schrijven uit het november nummer van het maandblad HP/De Tijd

Er werd mij gevraagd of ik als Sint Nicolaas een intocht in Sneek wilde houden. Met beide handen greep ik het aanbod aan. Op een winderige zaterdagmiddag stapte ik op de trein. In Heerenveen zou ik worden afgehaald en met een auto ging ik dan naar Sneek. Tijdens de reis voelde ik me in zeldzame mate vreemd en onwerkelijk. Ik realiseerde me dat het gevoel nog sterker zou worden als ik éénmaal op de schimmel zat. In een eeuwenoude vermomming die de kinderharten sneller deed slaan. Ik was er trots op dat ik voor goedheiligman mocht spelen. Met een glazige oogopslag tuurde ik naar de onvergankelijke   wolkenluchten boven het vlakke Friese land. Geestelijk was ik al bijna Sinterklaas toen ik in Heerenveen in de auto stapte. In Sneek werd ik bij de toneelkapper afgezet, waar het comité van ontvangst met hartelijk begroette. De toneelkapper, een lange magere man, maakte in deze tijd van het jaar riante winsten met de aankleding en de uiterlijke verzorging van het Klaaswezen. Ik werd door hem onder het mes genomen. Ongelofelijk, de gedaantewisseling die je onderging, het in hart en ziel Sinterklaas worden. Stukje boor stukje werd mijn identiteit door hem weggegrimeerd. De mijter op en tenslotte werden baard en snor aan mijn gezicht vastgeplakt. Ik was duizend jaar oud. Een rustige vriendelijke waardigheid had van top tot teen bezit van mij genomen. Ik bekeek me in de spiegel, en hemel. Gefascineerd staarde ik naar hem voor wie ik in mijn jongste jaren met een kloppend hart de schoen had gezet. Of ik mee wilde gaan. Het verliep als in een droom. Een bediende hielp mij in het zadel van mijn trouwe schimmel. De muziekkorpsen groepeerden zich. Zwarte Pieten sprongen snaaks in het rond. De piekeniers en de pages die zich in een fantastische kledij hadden gestoken zorgden voor een kleurige historische noot. Tromgeroffel en trompetgeschal, en zowaar her zonnetje brak door. In dit feestelijk licht begon ik aan mijn tocht door de binnenstad. Ik omvatte vier de gouden staf die ik stevig in een stijgbeugel had geplant. Hoog torende ik boven de menigte uit. Hadden er ooit zoveel mensen naar met gewuifd en gelachen. Een top succes. Maar ik mocht niet vergeten dat ik niet langer Johnny was maar een hoogst imaginaire en toch zo levensechte goedheiligman. Onwrikbaar zat ik in mijn harnas, en dat kwam neer op een onophoudelijk wuiven en knikken naar duizenden blije kinderen langs de route. En de kleintjes die in mij geloofden. Pas als je op zo'n paard zit weet je wat dat betekent. Je knik naar links en je knikt naar rechts. En iedereen, niemand uitgezonderd moet je met je blikken bestrijken. Fixeren. Ook de kinderen achter de ramen van de huizen. Ze moesten weten dat ik hen zag. Dat was de heilige waarheid.Werden mij immers niet bovennatuurlijke waarden toegerekend? Zag en hoorde ik niet alles? Reed ik in weer en wind over de daken? Was ik niet met mijn cadeaus als de bliksemse kater op alle plaatsen tegelijk. Maar er waren momenten dat het me vreemd te moede werd. Want daar had je het weer, de snoeshaan van vijfentwintig jaar. je eigen Ik, brak door de vermomming heen. Vreemde opwindende gevoelens. Diep moest ik ademhalen, toen een agent, die op een kruispunt het verkeer regelde bij mijn nadering de pet afnam en een buiginkje voor mij maakte. Ik was even verward door de plotselinge machtspositie. Maar dat gebeurde alleen  maar in mijzelf. Ik verborg mijn gevoelens achter de Sint. Ik moet mij wederom van mijn taak kwijten door mijn hand uit te steken naar een wipneusje en een krullenbolletje die watervlug onder de spanhekken waren doorgekropen. Lachende ouders op de achtergrond. Een aan de gezichten van de kinderen te zien, bezorgde ik ze de dag van hun leven, Ze hadden Sinterklaas een handje gegeven.