dinsdag 28 januari 2014

Oostende. Een gedicht van Hugo Claus

Soms wordt je overmeesterd door een vers. Dit bijvoorbeeld.
Een vers over Oostende, de historische kustplaats van zovelen, maar ook van de Belgische schrijver/dichter/toneelschrijver/filmmaker Hugo Claus en van misschien wel 's wereld beste Amerikaanse soulzanger Marvin Gaye die er in een (donkere) periode van zijn leven woonde.

Oostende

Daar is mijn bestaan begonnen te vergaan.
Negentien was ik, ik sliep
In het Hôtel de Londres op het hoogste verdiep.
De mailboot voer onder mijn raam.
Elke nacht leverde de stad zich over aan
De golven.

Negentien was ik, ik speelde kaart
Met de vissers van de IJslandvaart.
Zij kwamen uit de Grote Koude,
Hun oren en wimpers vol zout, en
beten in hompen rauw
Varkensvlees.
Ach, het geklik van dobbelstenen. In die tijd
Van vogelpik en pietjesbak won ik altijd.

Daarna bij dageraad langs de kathedraal,
Dat stenen spinsel van vrees,
Langs de verlaten dijk, het Kursaal.
De nachtcafés
Met de hologige croupiers,
De bankroete bankiers,
Engelse meisjes met tbc.
En vanuit de turkooizen zee
Het wreed gekrijs van de meeuwen.
‘Kom binnen, meneire de wind,’
Schreeuwt een uitgelaten kind
En over Oostende waait een wolk van zand
Vanuit de onzichtbare overkant
Het heiige Engeland
En de Sahara.

Langs de gevels van apothekers die in die tijd
Condomen fluisterend verkochten,
Langs de pier en de golfbrekers,
De vismijn met haar zeegedrochten,
De paardenrenbaan waar ik op een zondag
Niet meer won.

Zondagen die kwamen en gingen.
Nachten in het Hotel van de Thermen
Waar ik schrok van haar kermen,
Zuchten, zingen.
Haar geluid teistert nog altijd mijn
herinneringen.
Andere eilanden, zeeën, woestijnen
Heb ik gekend. Istanboel dat luchtkasteel,
Chieng-Mai met zijn landmijnen,
Zanzibar in de hitte van kaneel,
De trage trage Taag. Zij verdwijnen
Gestaag.

Scherper in het licht van het Noorden
Zie ik het kinderlijk gezicht
Van de Meester van Oostende verdoken in zijn baard.
Hij was van kraakbeen,
Toen van was,
Nu in brons.
Het brons waarin hij
Glimlacht om zijn morsdode jeugd.

(Hugo Claus)