vrijdag 29 mei 2009

Flapdrol

Ewoud Sanders gaat in het NRC Handelsblad vandaag in op het - deze week in de politiek -  gangbare woord Flapdrol. Hij komt aan het begin en het  einde van zijn stukje in Sneek terrecht:
 ‘Beleediging’ in 1913: man uit Sneek voegt agent ‘flapdrol’  toe.

"Dat flapdrol aanvankelijk inderdaad niet algemeen bekend was, weten we dankzij een rechtszaak uit 1913. Die had betrekking op een voorval op het station in Leeuwarden, waar op 20 juni 1913 de 29-jarige Pieter H., een veekoopman uit Sneek, zich misdroeg. H. was dronken en lastig toen een agent hem tot rust maande. Dat pikte de veekoopman niet. „Jij doet mij toch niks, flapdrol”, zei hij tegen de agent.
De Leeuwarder Courant schreef een maand later, toen de kwestie werd behandeld bij de rechtbank in Leeuwarden: „De agent, hoewel de beteekenis van dit woord niet kennende, begreep dat het een beleediging bedoelde uit te drukken en maakte daarom den koopman deswege proces-verbaal.”

Wie nu een agent zou uitmaken voor flapdrol, maakt goede kans hiermee weg te komen. Immers, als je dit als Kamerlid straffeloos tegen een minister mag zeggen, omdat het zo’n keurig woord is, waarom dan niet tegen een agent?

In 1913 dacht de officier van justitie daar anders over. Wegens het gebruik van het beledigende woord flapdrol eiste hij dat de Sneker veehandelaar H. werd veroordeeld tot drie dagen gevangenisstraf. Omdat H. niet kwam opdagen ter zitting verhoogde de rechter dit tot tien dagen.